Brandweergeschiedenis: Van de Hautsch Brandspuit naar de Slangenbrandspuit

De Dam in Amsterdam. 'Neevens vertooning van ‘t effect der Geoctrojeerde Slang Brandspuyten.'
Na de stadhuisbrand van 1652 kocht Amsterdam tientallen Hautsch brandspuiten. Uitvinder Jan van der Heyden vond ze te beperkt en bouwde een revolutionaire brandspuit.

Hautsch brandspuit

De invoering van de Hautsch brandspuit was een enorme verbetering ten opzichte van de emmers. Toch had deze brandspuit ook zijn nadelen. De Hautsch brandspuit was groot en log en moest door paarden naar een brand gesleept worden.

De brandspuit moest bovendien dicht tegen de brand aangezet worden om van de spuitkracht te kunnen profiteren. Dat was gevaarlijk en verder was de grote brandspuit onbruikbaar in smalle straten. De brandbestrijders op ladders waren niet meer nodig, maar er moest nog altijd water naar de bak onder de brandspuit gebracht worden met emmers.

Fragment uit 'De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, 1652', door Jan van der Heyden, 1688-1690

Fragment uit 'De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, 1652', door Jan van der Heyden, 1688-1690 

Fragment uit 'De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, 1652', door Jan van der Heyden, 1688-1690

Fragment uit 'De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, 1652', door Jan van der Heyden, 1688-1690

Slangenbrandspuit van Van der Heyden

De oplossing om snel en zonder veel mankracht water naar een brandspuit te brengen loste Jan van der Heyden op met zijn revolutionaire brandslang. Eerst had zijn slangenbrandspuit nog een kleine groep burgers met emmers nodig die via een soort grote trechter water in slang brachten. Later werden burgers met emmers ook daar overbodig. Het water werd na wat aanpassingen aan de slangenbrandspuit direct uit de gracht of Amstel gepompt.

De brandslang

De brandslang is de grootste uitvinding van Jan van der Heyden geweest.

Zelf schreef hij daarover: 'Een buygelijke buys, om haar gedaante een slang genaamd, die men kan verlangen naar eysch ende welgevallen'.

In die tijd gebruikte men slangen van zowel leer als zeildoek. Met pekdraad werden de naden van de slangen dichtgenaaid. Als men een slang wilde verlengen, gebruikte men een koperen koppelbuis van ongeveer 30 cm. De helft van de buis ging in de ene slang en de andere helft in de te koppelen slang, de slangeinden werden tegen elkaar aangeduwd. Met een leren veter of touw werden de slangen op de koppelbuis vastgesnoerd. Veel soepeler en minder waterdoorlatend waren de slangen van gelooid leer, die omstreeks 1830 in gebruik werden genomen. Ze werden ingesmeerd met vet en met koperen klinknagels geklonken. De druk van de pompen en later de stoomspuiten werd steeds hoger, dus moesten de naden daar tegen bestand zijn. Tot ver in de 19e eeuw zijn deze sterke, maar loodzware slangen in gebruik geweest.

Jan van der Heijden

De uitvinder, schilder, schrijver en fabrikant Jan van der Heyden is de belangrijkste figuur uit de geschiedenis van de Nederlandse brandweer. Hij is de uitvinder van de brandspuit met brandslang. Het water werd via de slang op de brand gepompt. Van der Heyden publiceerde bovendien een boek waarin hij zijn uitvinding met prachtige prenten aanprees. Het was het eerste Nederlandse brandweerboek. Verder hervormde en reorganiseerde hij na de introductie van zijn brandspuit in Amsterdam de lokale brandweer. Tenslotte begon hij een fabriek voor brandspuiten in Amsterdam. Zijn slangenbrandspuit bleef tot in de 19e eeuw de standaard.

Jan_van_der_Heiden