Brandweergeschiedenis: Van Plichtsbrandweer naar Vrijwilligers en Beroepsbrandweer

Brandweer-Adam-Rdam-en-DenH-60340
In de tweede helft van de 19e eeuw begon de organisatie van de brandweer flink te veranderen door de introductie van de professionele beroepsbrandweer.

Verval brandweer

In de loop van de 19e eeuw kwam de organisatie van plichts- en aangewezen brandweer onder toenemende druk te staan. Gegoede burgers kochten hun dienstplicht af. Op elke loting volgden bezwaarschriften en vrijstellingen.

Bovendien steeg de onvrede over de lage jaarlijkse onkostenvergoedingen en het systeem van premies en boetes.

Het leeuwendeel van de 'geaffecteerden' kwam uit de laagste bevolkingsklasse. Met de industrialisatie steeg de migratie in deze bevolkingsgroep. 'Aangewezen' dagloners en arbeiders verhuisden en kwamen niet meer opdagen.  De lokale administraties verloren het overzicht.

Rol van gemeentes

In de periode van 1850 tot 1940 waren gemeentes verantwoordelijk voor de organisatie van de brandweer en de brandbestrijding. De Gemeentewet van 1851 bevestigde dit. De gemeentes bepaalden de inrichting en bekostiging van de brandweer en de burgemeester werd belast met het opperbevel bij brand.

In kleine gehuchten en dorpen bleven de plichts- en aangewezen brandweren bestaan, maar in de steden kwamen steeds meer vrijwillige brandweerkorpsen op. De vrijwilligerskorpsen hadden vaak de rechtsvorm van een vereniging. In Duitsland waren veel vrijwillige brandweerkorpsen ontstaat uit turnverenigingen.

Ook in enkele Nederlandse steden vond dit navolging. In Alkmaar was het de turnvereniging 'Kracht en Vlugheid' die een brandweerafdeling opzette, die na enkele jaren opging in één Alkmaars vrijwilligerskorps. De brandweerverenigingen werden gefinancierd door hun leden uit de plaatselijke middenstand.

De verenigingen lieten zich ook sponsoren: zij probeerden het brandweermaterieel te laten bekostigen door donaties van brandverzekeringsmaatschappijen. Die waren immers gebaat bij minder en lagere schadeclaims door een effectiever georganiseerde locale brandbestrijding. Gemeentebesturen waren uiteraard enthousiast over dergelijke particuliere initiatieven die de gemeentekas ontzagen.

Amsterdam_1866-botermarkt

Beroepsbrandweer

Het Amsterdamse vrijwilligerskorps raakte door een zwak optreden op 6 augustus 1870 bij een brand bij de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) in opspraak. De reputatie van de vrijwillige brandweer was in die tijd niet al te best.

De krant het Algemeen Dagblad keek daar in 1884 op terug en schreef treffend over de brand op de Botermarkt: 'Het reeds lang veroordeelde oude brandwezen, met zgn dronkemanstooneelen en vechtpartijen had den nekslag gekregen.'  

Daarop besloot het gemeentebestuur in 1871 tot de vorming van een beroepsbrandweer en in augustus 1874 was het zover. Het korps  had een sterkte van 144 man, verdeeld over 9 stations. De diensten waren zwaar: drie etmalen dienst, gevolgd door één etmaal vrij.

P.W. Steenkamp

De eerste commandanten van de Amsterdamse beroepsbrandweer waren oud-officieren van het leger of de marine. Pieter Willem Steenkamp, die de organisatie militair opzette, was een oud-artillerie-officier. 

Hij gaf de beroepsbrandweer in Amsterdam vorm als het modernste brandweerkorps van dat moment, met een centrale seinkamer, telegraafstelsel en brandschellen, rode wagens, een drijvende stoomspuit, uniformen en leren helmen, kazernes, werksystemen en opleidingen.

De inspiratie voor deze vernieuwingen deed Steenkamp op tijdens bezoeken aan buitenlandse brandweerkorpsen. 

steenkamp

V.C. Dijckmeester

De opvolger van Steenkamp bij de Amsterdamse beroepsbrandweer was zijn ondercommandant V.C. Dijckmeester. Hij publiceerde in 1878 het boek 'Handleiding voor de Brandweer in Steden, Dorpen, Rijks- en Partikulïere Gebouwen, Fabrieken en Schepen’.

Het was het eerste brandweerboek sinds dat van Van der Heyden uit 1890. In zijn inleiding ging Dijckmeester flink tekeer tegen de belabberde staat van de brandweer in Nederland. 

'Het is een treurig verschijnsel, dat het voor de nationale welvaart zoo noodzakelijke en gewichtige Brandwezen in de meeste plaatsen van ons vaderland zoo schromelijk verwaarloosd wordt en dat er van Regeeringswege niet het minste toezicht op bestaat.

Bij voorkomenden brand heerscht meestentijds een grenzelooze verwarring. Iedereen wil bevelen, niemand gehoorzamen. De vlammen maken van deze gelegenheid gebruik zich uit te breiden, totdat, als men eindelijk gereed is om water te geven, aan geen redden van het bedreigde perceel meer te denken is. De brandspuiten zijn veelal van oude, gebrekkige samenstelling. Zij worden slecht onderhouden en bediend, waardoor zij maar al te dikwijls haar dienst weigeren of niet naar behooren werken.

Op andere plaatsen is aan blusch- en reddingsmiddelen totaal gebrek.

Deze toestanden zijn van te algemeene bekendheid dan dat het nog noodig zoude zijn er verder over uit te weiden.'